Zuiderzee ballade

Zuiderzee ballade (Sylvian Poons)

Opa kijk, ik vond op zolder een foto van een oude boot.
Is dat nog van voor de polder, van die oude vissersvloot?
Jochie, dat is een gelukkie, ‘k was dat prentje jaren kwijt,
‘k Heb nou weer een heel klein stukkie van die goeie ouwe tijd.
Daar is het water, daar is de haven waar je altijd horen kon:
We gaan aan boord.
De voerman laat er nu paarden draven, en aan de horizon
Ligt Emmeloord.
Eens ging de zee hier tekeer, maar die tijd komt niet weer,
Zuiderzee heet nou IJsselmeer.
Een tractor gaat er nou greppels graven, ‘k zie tot de horizon
Geen schepen meer.
Kijk, die jongeman ben ikke, ja ikke was de kapitein.
Hiero, en die grote dikke, dat moet malle Japie zijn.
Opa, en die blonde jongen, vooraan, bij de fokkeschoot…,
Opa, zeg nou wat…, Die jongen, is je ome, die is dood.
In ’t diepe water, ver van de haven, In die novembernacht,
Voor twintig jaar.
Door ’t brakke water is hij begraven, Maar als ik nog even wacht
Zien wij elkaar.
Toen ging de zee zo tekeer, in een razend verweer,
Ongestraft sloeg niemand haar neer;
Nu jaren later hier paarden draven, Zie ik de hand en macht,
Van onze Heer.
Waar is het water, waar is de haven, Waar je altijd horen kon,
“we gaan aan boord”;
De voerman laat er zijn paarden draven, en aan de horizon,
Ligt Emmeloord.
Eens ging de zee hier tekeer, maar die tijd komt niet weer,
’t Water leit nou achter de dijk.
Waar eens de golven het land bedolven, Golft nu een halmenzee,
De oogst is rijp.
18