Hoe ‘t is Matroos te zijn
Er is geen beter schip op zee dan onze ouwe schuit
Daarmee ga je voor je plezier steeds weer het zeegat uit
De ra’s zijn wel wat wankel en het tussendek wat klein
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
Geen storm is ons te zwaar wij varen overal doorheen
Een zeeman blijft zelfs in een storm in de bezaan ter been
Je breekt zowat je poten schaaft je handen aan een lijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
Er wordt bij ons aan boord maar zelden overdag gebrast
Maar slaat het dan acht glazen klimmen wij weer in de mast
De schipper vloekt, de stormwind huilt, je hele lijf doet pijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
De kok is een wonder trekt soep van varkensleer
Het vlees smaakt naar pruimtabak, de bonen nog veel meer
Hij zal het zelf niet proeven hij eet van de kapitein
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
De bootsman is je beste vriend maar doe toch wat ie zegt
Want doe je niet wat hij beveelt, dan kom je slecht terecht
Je eindigt in het foksel en daar krijg je drie dozijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
De stuurman is je kameraad de enige aan boord
Die zorgt voor je, bemoedert je, gelooft je op je woord
Maar boven in het marsel zul je veilig voor hem zijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
De ouwe is een beste vent maar vaart op platte kaart
Hij heeft meer streken dan een roos en weet niet waar ie vaart
En legt ie ergens aan, dan vraagt hij ons waar of we zijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.
Wij zijn als een familie weten alles van elkaar
We delen lief en leed doorstaan tezamen elk gevaar
En lig je in je hangmat zou je wensen thuis te zijn
Dat geeft niet want daar leer je van hoe ‘t is matroos te zijn.