01 Aan het strand stil en verlaten

    Aan het strand stil en verlaten

    Aan het strand stil en verlaten
    Bij het klimmen van de maan
    Ziet men daar een aardig paartje
    Zeer van weemoed aangedaan
    Liefste ik moet je gaan verlaten
    Morgen ga ik weer naar zee
    En dan trouwen als ik thuiskom
    Hier op Hollands’ stille ree

    Maar zij sprak “ach liefste mijne
    Spreek zover niet in het verschiet
    Want de zee ligt vol met mijnen
    En die dingen zie je niet”

    Dobb’rend op de woeste baren
    Stuurde hij z’n scheepje voort
    Maar wat daar opeens gebeurde
    Een ontploffing werd gehoord
    ’t Schip verdween al in de diepte
    Angstig keek hij om zich heen
    Nergens kon hij redding vinden
    Mensenlief waar moet dat heen
    Terwijl hij worstelt met de golven
    En de dood voor d’ogen ziet
    Denkt hij aan z’n liefste meisje
    Die hij thuis daar achterliet

    Aan het strand stil en verlaten
    Ziet men daar een meisje staan
    Die al turend en al smachtend
    Wacht de komst van haren man
    Hij zou immers wederkeren
    Hij beloofde haar toch trouw
    En dan krijgt zij zo’n verlangen
    Word ik toch zijn lieve vrouw
    Maar hij keerde nimmer weder
    Want de dood waart om ons heen
    En zij keerde telkens weder
    Aan het strand stil en alleen