31 In dat oud amsterdam

    IN DAT OUD AMSTERDAM (Liesbeth List)

    In dat Oud-Amsterdam, in de buurt van de haven
    Gaan de zeelui zich laven, drinken ’t hek van de dam
    In dat Oud-Amsterdam, liggen zeelieden dronken
    Als een wimpel zo lam, in de dokken te ronken
    In dat Oud-Amsterdam, krijgt een zeeman de stuipen
    Tot hij zich, grauw van gram, in ’t bier wil verzuipen
    Maar in Oud-Amsterdam zie je zeelui ontkatert
    Als de ochtendzon schatert, over Damrak en Dam
    In dat Oud-Amsterdam, zie je zeelieden bikken
    Zilv’ren haringen slikken, bij de staart, uit de hand
    Van de hand in de tand smijten zij met hun knaken
    Want ze zullen ‘m raken, als een kat in ’t want
    En ze stinken naar aal, in hun grofblauwe truien
    En ze stinken naar uien, daarmee doen ze hun maal
    Na dat maal staan ze op, om hun broek op te hijsen
    En dan gaan ze weer hijsen, tot ’t boert in hun krop
    In dat Oud-Amsterdam zie je zeelieden zwieren
    En dan de meiden versieren, lijf aan lijf, warm en klam
    En draaien hun bals als een went’lende zon
    Op de klank, dun en vol, van een accordeon
    En zo rood als een kreeft happen zij naar wat lucht
    Tot opeens, met een zucht, de muziek ’t begeeft
    Met een air van gewicht voeren zij met wat spijt
    Dan hun Mokumse meid weer terug in het licht
    In dat Oud-Amsterdam gaan de zeelui aan ’t drinken
    Aan ’t drinken en drinken, en daar nog ‘es op drinken
    Tot ’t Oude Kerksplein op een thuishaven lijkt
    En de hoer in ’t kozijn net als moedertje kijkt
    En haar borst is de borst van verloofde of vrouw
    En daarna weer zo’n dorst, en de nacht wordt al grauw
    Want op terug naar de schuit en de kater breekt aan
    En ze snikken ’t uit, tegen meerpaal en kraam
    In dat Oud-Amsterdam, in ’t Oud-Amsterdam
    In dat Oud-Amsterdam